Jan Meulenbelt
Jan Meulenbelt (1921) ging in 1986 met pensioen als hoofd kunstzaken bij de gemeente Den Haag en was met zijn artikelen in Medisch Contact een vroege voorvechter van euthanasie. Jan overleed op 4 november 2011.
Wij, Gerard Schellekens & Marianne Wits, hadden het voorrecht hem in de laatste jaren van zijn leven te leren kennen en te mogen genieten van mooie gesprekken en zijn heldere geschriften.
Kort voor zijn overlijden overhandigde hij ons zijn laatste document ‘Ondraaglijk lijden’, met de opmerking ‘doe ermee wat jullie willen’.
Ondraaglijk lijden
Ook aan wie weinig kritiek heeft op de euthanasiewet kan het zijn opgevallen dat menigeen aan de term “ondraaglijk lijden” een opgefokte betekenis toekent, ten nadele van menige patiënt. Het woord “ondraaglijk” wordt, met betrekking tot het levenseinde als toetssteen gezien, als het ware de Dikke van Dale uitgeduwd. Het betekent in feite alleen maar “niet te verdragen”.
Bij iedere babbel van mensen - gasten op theevisite, collega’s op kantoor - kan iemand zo maar zeggen: “Ik vind het gedoe van Piet Jansen onverdragelijk”. Er is dan geen mens die extra zijn oren spitst. De uitdrukking “ondraaglijk lijden”wordt gebruikt in de wet en moet dus serieus worden genomen in juridische zin. Echter is het onbruikbaar in de praktijk. Het is pover en arbitrair.
Een licht lijkend lot kan voor iemand te zwaar zijn. Maar een vluchteling, door kogels getroffen, vervolgt wel zijn vlucht en draagt zijn lijden. In de wet is het woord ondraaglijk niet toegelicht. Het misverstand dat daaromtrent is ontstaan, is erbarmelijk. Het kent een allesoverheersende functie toe aan een woord ongeacht de omstandigheden. Een ondraaglijke lijdensweg verschilt van alle andere ondraaglijke lijdenswegen, al naar gelang van iemands leeftijd, misvorming, kwaal, invaliditeit, ziekte, gebrek, alsook iemands levensloop, situatie, verdraagkracht, opvatting, appreciatie, karakter.
De ontstane orthodoxie kan leiden tot een kolossale miskenning van de patiënt. Een patiënt die zich niet bijster goed uit kan drukken, kan tot een woordkeus of handeling komen waardoor de arts kan denken dat hij een te behandelen depressie heeft. Daarentegen kan een patiënt met een monter karakter de indruk wekken dat hij weliswaar ernstig ziek is maar niet lijdt onder zijn zorgen en pijnen zodat hij niet met recht kan beweren dat hij ondraaglijk lijdt. Het is voorgekomen dat een hoogbejaarde patiënt, die door zijn oorlogservaringen en andere ervaringen goed weet wat “ondraaglijk lijden” wil zeggen, zijn gewone bestaan moet opheffen met een pijn die hij van top tot teen voelt zonder dat deze meetelt.
De enige uitweg uit de bizarre nonsens die door de term is ontstaan, is dat de arts en dus ook de SCEN-arts de beoordeling van de mate van lijden toevertrouwt aan de patiënt. Ieder antwoord van elke patiënt op de door zijn arts aan hem te stellen vraag is correct. Het antwoord is altijd voldoende als het gaat om de naleving van de wet.
Het kan gewoon niet waar zijn dat normaliter de arts bij kwalen een noodtoestand moet pogen te voorkomen, maar dat hij uitgerekend bij een zich duidelijk aankondigend levenseinde zou moeten wachten tot de patiënt daadwerkelijk in een noodtoestand is beland. Dit is een paradox die aan onzin, om niet te zeggen waanzin, grenst maar niettemin het levenseinde van een patiënt bepaalt.
Ondraaglijk lijden omdat de wet het vergt - welk een absurd resultaat van het decennia lange gezwoeg van duizenden vergaderaars op weg naar de wet 2002.
J.M., 15-10-2011