Het recht om zelf te beschikken
De Stichting Vrijwillig Leven ijvert al jaren voor het recht op zelfdoding. Oud-Voorzitter Gerard Schellekens is er een 'proefproces' voor aangegaan. "Er moet openheid komen."
(Trouw)
Zij zijn tegen de ’pil van Drion’. De mythe rond deze niet-bestaande zelfdodingspil leeft al bijna twintig jaar voort en zet mensen op het verkeerde been. Want ’zomaar’ even uit het leven stappen met een aangereikt pilletje, strookt niet met de visie van de geïnterviewden, Gerard Schellekens en Marianne Wits en de Stichting Vrijwillig Leven. „De pil van Drion is een metafoor. Mensen zijn zelf verantwoordelijk voor hun beslissing. Maar je moet mensen niet laten stikken. Je moet ze begeleiden als ze hulp vragen bij een vrijwillige en humane levensbeëindiging.”
Gerard Schellekens (73) uit Maastricht trad onlangs af als voorzitter van de Stichting Vrijwillig Leven (SVL), maar hij blijft actief als hulpverlener. Marianne Wits is sinds 2006 secretaris en hulpverlener bij de SVL. Dat betekent dat zij mensen die bij de stichting aankloppen en ’nergens anders terechtkunnen’, met andere hulpverleners begeleiden bij een zelfgekozen levenseinde. Vorig jaar werd Schellekens door de rechter veroordeeld tot twaalf maanden celstraf – waarvan tien voorwaardelijk – voor hulp bij zelfdoding. De stichting kreeg een boete van 20.000 euro, waarvan 15.000 euro voorwaardelijk.
Zowel Schellekens als de stichting ging in hoger beroep, dat op 13 januari 2011 dient voor het gerechtshof in Arnhem. Want Schellekens’ advocaat Willem Anker vindt het een ’hard vonnis’. „Gerard Schellekens wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf, terwijl hij geen strafblad heeft, naar eer en geweten handelde en geen enkel eigenbelang nastreefde. Dit hopen we in hoger beroep te kunnen rechtzetten.”
Wat Schellekens en de SVL met dit ’proefproces’ – althans zo ervaart hij dat – vooral willen bereiken, is dat er openheid komt over hulp bij zelfdoding. „Als nooit iemand iets doet, en alles blijft ondergronds, dan verandert er niets. Ik heb deze zaak gemeld omdat er veel mensen rondlopen met een hulpvraag waarmee ze nergens terechtkunnen”, zegt Schellekens, die erkent dat hij willens en wetens de wet heeft overtreden. Op hulp bij zelfdoding door een niet-arts staat maximaal drie jaar celstraf.
In aanwezigheid van Schellekens hielp een man in november 2007 zijn 80-jarige moeder in Almelo haar leven te beëindigen. De vrouw leed al vier jaar aan een zware vorm van Parkinson, en had om hulp bij zelfdoding gevraagd bij de arts van het verpleeghuis waar ze verbleef, maar die weigerde. De kinderen van de vrouw zochten vervolgens steun bij de SVL. Schellekens ging daarop naar eigen zeggen (en ook volgens de rechtbank in Almelo) ’zorgvuldig’ te werk. Hij voerde gesprekken met de vrouw, met haar kinderen en met de verpleeghuisarts, die erbij bleef dat er in dit geval geen sprake was van ondraaglijk en uitzichtloos lijden. Schellekens legde het medisch dossier van de vrouw voor aan een andere arts. Ook had hij contact met een arts die de vrouw toevallig kende en die constateerde dat in dit geval hulp bij zelfdoding ’haalbaar’ was, aldus Schellekens.
Uiteindelijk zorgde een arts voor een dodelijke dosis pentobarbital, die de vrouw zelf tot zich nam en waarbij Schellekens als koerier diende. Een belangrijk detail. Schellekens: „Dat is het eerste dat ik vroeg aan de zoon: ’Kan je moeder drinken?’ Want iemand die ons om hulp vraagt, moet wel in staat zijn om zelf iets te doen. Is dat niet het geval, dan kan iemand wat ons betreft alleen maar bij een arts terecht.” Dat hij er bij was toen de vrouw stierf, vindt Schellekens niet meer dan zijn ’verantwoordelijkheid’ en volgens de regelgeving moet de hulpverlener/arts zelf aanwezig zijn bij het innemen en sterven.
Haar kinderen keerden zich later tegen hem en de stichting, omdat ze niet goed voorgelicht zouden zijn. Ze werden namelijk meteen opgepakt en zaten één dag (de twee dochters met hun partners en de partner van de zoon) en twee dagen (de zoon) vast op het politiebureau. Ook Schellekens zat een dag in de cel. „Ik heb de kinderen vooraf gezegd dat ze gehoord zouden worden door de politie.” Maar dit zware justitiële ingrijpen had hij niet voorzien en hij begrijpt achteraf wel dat de kinderen boos op hem werden. Zij werden overigens niet vervolgd door justitie.
Aan het hoger beroep in de zaakAlmelo zit ook een principiële kant. Want de Stichting Vrijwillig Leven, waarvan Schellekens sinds de oprichting in 1996 het boegbeeld is, ijvert voor de wettelijke erkenning van het recht op zelfdoding en het beschikbaar stellen van de hiervoor noodzakelijke humane middelen en de begeleiding daarbij. Uitgangspunt daarbij is, legt Schellekens uit, „dat het een weloverwegen besluit is van iemand dat er een vertrouwenspersoon bij betrokken is, dat het goed voorbereid wordt, dat het niet stiekem gebeurt, dat de hulpvrager niet in eenzaamheid sterft en dat er geen kosten in rekening worden gebracht omdat dat mogelijk zou leiden tot winstbejag.”
In die geest begeleiden de hulpverleners van de SVL al jaren mensen met een doodswens. Vanaf de oprichting in 1996 zijn er tientallen mensen begeleid. Het verschil met de zaak-Almelo is dat Schellekens als privépersoon hier voor het dodelijke drankje zorgde. Schellekens: „We verstrekken geen middelen. Wanneer mensen besluiten zelf middelen te verzamelen, zijn ze daar zelf verantwoordelijk voor en lopen ze de kans dat ook hun naasten verdachten kunnen worden. We hebben ook liever dat ze naar een arts gaan. Maar artsen zijn lang niet altijd op de hoogte van de mogelijkheden volgens de wet. En als een arts niet wil meewerken, komt de stichting in beeld. Soms neemt een arts het dan alsnog over, soms zoeken mensen een andere arts of besluiten ze zelf middelen te (laten) verzamelen voor het geval dat.”
Nee, antwoordt Schellekens desgevraagd, hij vindt niet dat een weigerachtige arts de plicht heeft door te verwijzen. „Maar hij heeft wel de morele plicht om te rade te gaan bij een collega of bij de SVL.” Dat gebeurde in de zaak-Almelo niet: de zieke vrouw was afhankelijk van de verpleeghuisarts. Zij had moeten verhuizen en een nieuwe arts moeten zoeken die haar euthanasiewens wel respecteerde. Maar de vrouw wilde niet verhuizen om elders te sterven omdat het verpleeghuis al vier jaar haar woning was. Bovendien, zegt Schellekens, „je kunt wel op zoek gaan naar een andere arts, als je eigen arts hulp weigert. Maar in de praktijk is er geen arts te vinden die het in zo’n situatie wil overnemen. Hulp bij zelfdoding doe je niet zo maar even.”
Dat Schellekens voor deze ene keer ook de benodigde medicijnen leverde, komt voort uit zijn overtuiging dat je iemand niet in de steek laat. Al in 1976 werd hij lid van wat toen nog de Vereniging voor vrijwillige euthanasie (NVVE) heette, en in 1994 werd hij daar vrijwilliger. „In 1994 vroeg iemand mij om hulp. Maar toen bleek dat we als vrijwilligers geen daadwerkelijke hulp mochten verlenen. Ja, dan blijft er weinig anders voor de hulpvrager over dan kiezen voor een eenzame en vaak gruwelijke dood. Uit die ervaring is de SVL ontstaan.”
De stichting bestaat inmiddels uit een ’adviesraad’ van bijna honderd bekende en onbekende Nederlandse vrijwilligers die openlijk het gedachtegoed ondersteunen en soms ook benaderd worden door hulpvragers, en een daaruit gevormde kerngroep van acht mensen, en een bestuur. De hulpverleners reizen het hele land door, want de stichting telt momenteel slechts twee ’steunpunten’ – in Maastricht en Utrecht – vanwaaruit hulpverlening wordt geboden. De hulpverleners brengen geen verslag uit aan de stichting of aan het bestuur. Schellekens: „Dat kan niet omdat dan de vertrouwensband tussen de hulpverleners en de hulpvragers niet langer gegarandeerd zou zijn. Ondanks verzoeken van de SVL aan de ministers van VWS en justitie en aan de artsenorganisatie KNMG om ook als niet-arts gebruik te kunnen maken van de expertise van Scenartsen (dat is de tweede arts die geraadpleegd wordt bij een verzoek om euthanasie, red.), zijn die verzoeken nog steeds niet gehonoreerd.
Dat er in 2002 een euthanasiewet is gekomen, vindt Schellekens een goede zaak. „Die voldoet voor de meeste mensen.” Maar op twee belangrijke punten zou de wet veranderd moeten worden. „Onderscheid tussen euthanasie en hulp bij zelfdoding. Dat laatste moet onder strikte voorwaarden mogelijk worden. En de wet gaat nu uit van de arts, maar dat moet de hulpvrager worden, met als uitgangspunt het recht op zelfbeschikking.”
De geïnterviewden vinden overigens dat de wettelijke criteria ondraaglijk en uitzichtloos lijden niet te meten zijn, en dus ook eigenlijk uit de wet moeten. Oneens zijn zij het om dezelfde reden met het introduceren van een term als ’levensmoe’, ’voltooid leven’ of ’klaar met het leven’. „Woorden, woorden.”, verzuchten zij.
De SVL wil ook dat er een wettelijke erkenning komt voor een levenstestament, dat opgesteld wordt als iemand (nog) wilsbekwaam is. En dat moet, net als een gewoon testament, uitgevoerd worden. „Voor de daadwerkelijke hulp bij levensbeëindiging blijf je zelf juridisch en moreel verantwoordelijk. Maar je kunt ook een gevolmachtigde aanwijzen die, mocht je je niet meer kunnen uiten, handelt in de geest van jouw testament.” Zelf heeft de vitaal ogende Gerard Schellekens samen met zijn vrouw alvast ’alles op papier gezet’, in overleg met zijn kinderen, vertelt hij desgevraagd.
Hoe zij aankijken tegen het initiatief van Uit Vrije Wil, de initiatiefgroep die dit voorjaar een pleidooi hield voor het recht op zelfdoding na je zeventigste en een initiatief-wetsvoorstel voorbereidt? „Wij zijn het niet eens met die leeftijdsgrens, dat roept weerstand op. Het is een begrijpelijk initiatief, maar er wordt niet aangegeven hoe het geregeld zou moeten worden. Bovendien is het een affront jegens artsen. Euthanasie of hulp bij zelfdoding blijft toch een taak die bij (huis)artsen hoort, althans waarbij artsen en apothekers een belangrijke rol moeten vervullen, al was het maar om de niet-natuurlijke dood vast te stellen.”
Niettemin ontstond er in de gevoerde gesprekken met de initiatiefnemers van Uit Vrije Wil wel het begin van een kleine vrijage tussen beide clubs. „Ze wilden weten hoe onze steunpunten werken en ze vinden dat er meer moeten komen.” De SVL is ervan overtuigd dat er binnen afzienbare tijd in het hele land laagdrempelige steunpunten komen waar (zonder kosten) mensen terecht kunnen, laten zij weten. Dan is ook de levenseindekliniek, waarvan de NVVE momenteel de haalbaarheid onderzoekt niet nodig.
„Bij de steunpunten betrek je artsen, apothekers en – waar nodig – psychiaters. En omdat de hulpverlening van te voren gemeld moet worden, hoort de Scen-arts er ook bij.” Met een schouwarts aanwezig bij het daadwerkelijke moment van euthanasie of hulp bij zelfdoding kunnen de huidige toetsingcommissies ook vervallen, redeneert Schellekens.
Er zal in goed overleg met het parlement zeker tot een regeling gekomen kunnen worden waar de zelfbeschikking van de wilsbekwame meerderjarige centraal staat. Dat zal nog enige tijd vergen omdat dit zorgvuldig zal moeten worden vormgegeven. Tot die tijd zullen de Stichting Vrijwillig Leven, de Nederlandse Vereniging voor een Vrijwillig Levenseinde, stichting de Einder en als laatste loot aan de stam de initiatiefgroep Uit Vrije Wil ieder op eigen wijze ijveren voor het recht op een zelfgekozen levenseinde. Ze hebben, zo lijkt het, de mondige grijzende generatie babyboomers aan hun zijde. Op den duur, vindt zowel Gerard Schellekens als Marianne Wits, „zouden alle instanties en personen die zich hiervoor inzetten niet meer nodig hoeven zijn”.



