Door Rob Bruntink
(Dit artikel beschrijft de situatie waar de SVL naar toe wil).
'Freelance-journalist Rob Bruntink, auteur van het artikel, heeft toestemming gegeven voor publicatie op de site van de Stichting Vrijwillig Leven. Bruntink is gespecialiseerd in het schrijven over de dood. Naast het AD-werk is hij onder meer hoofdredacteur van Pallium, een tijdschrift over palliatieve, terminale zorg, en redacteur van Doodgewoon, een publieksblad over de dood.'
Nee, hij heeft niets tegen euthanasie. Als noodoplossing zou dit bij wet geregeld moeten worden. Maar het getuigt van weinig respect voor de medemens, zegt voorzitter Gerard Schellekens van de Stichting Vrijwillig Leven, als je een arts vraagt een eind aan je leven te maken. Daarvoor moet je zelf de mogelijkheden krijgen. De Stichting pleit dus voor hulp bij zelfdoding. Daarvoor moeten regionale steunpunten worden opgericht. Mensen met een doodswens kunnen hier terecht voor passende hulpverlening. En die hulpverlening kan onder meer bestaan uit het verstrekken van medicijnen die de gewenste dood tot gevolg hebben. Iedereen die het wil, kan zodoende op een waardige manier uit het leven stappen. Met die mogelijkheid ontlast je ook de artsen.
Schellekens is zich bewust van de gedachten die bij tegenstanders van de Stichting Vrijwillig Leven (SVL) over de doelen bestaan. "Er wordt gezegd dat ons plan een verruiming is van de bestaande euthanasiepraktijk. Dat ligt echt anders. Want het gaat ons niet om euthanasie, maar om het stapje voor euthanasie. In de huidige euthanasiepraktijk en -wetgeving is het de medicus die uiteindelijk bepaalt of een patiënt wel ondraaglijk en uitzichtloos genoeg lijdt om in aanmerking te komen voor euthanasie. Denkt hij dat er nog behandelingsmogelijkheden zijn, dan mag hij geen euthanasie toepassen. Hij zal dit dan dus nalaten. Dat is toch vreselijk voor de persoon die graag dood wil? Wij vinden als Stichting het recht van zelfbeschikking erg belangrijk. Dat betekent dat het in onze ogen niet aan een ander is om te bepalen of ik mag sterven. De Stichting wil dat ik daar zelf de mogelijkheden voor heb. De Stichting moet die mogelijkheden, uiteraard onder strikte voorwaarden, aanbieden. Mocht iemand niet meer in de omstandigheid zijn zelf medicijnen te kunnen innemen, dan kan alsnog het euthanasie-onderwerp aan de orde komen. Maar de volgorde zou in onze ogen moeten zijn: eerst moet er de mogelijkheid voor hulp bij zelfdoding zijn, daarna voor euthanasie. Als noodoplossing. En dit alles geldt pas als het aanbieden van levenshulp en palliatieve zorg niet meer voldoet."
Behalve dat de Stichting ten onrechte als het radicale broertje van de Nederlandse Vereniging voor Vrijwillige Euthanasie wordt gezien, bestaat er nog een tweede grote vooroordeel over de sympathisanten van de SVL, geeft Schellekens aan: "Wij zouden barbaren zijn. Alsof wij dodelijke medicijnen willen uitdelen aan iedereen die maar even in een dalletje zit. Ook dat is niet waar. Naast de groep mensen die vanwege een ongeneeslijke lichamelijke ziekte in de omstandigheid komt om over euthanasie of hulp bij zelfdoding te denken, is er een groep mensen die op een dusdanige manier door het leven getekend zijn dat zij, soms al op jonge leeftijd, tot de conclusie komen dat zij niet meer voort willen gaan met leven. Zij hebben jaar-in-jaar-uit een constante doodswens. Het is de groep die uiteindelijk zelfmoord pleegt. In Nederland beëindigen iedere dag vijf mensen op afschuwelijke wijze hun leven. Ze gooien zich voor de trein, hangen zich op of snijden met een mes hun polsen door. Het is toch tragisch dat dat alleen maar op die manier kan? Nog even los van het leed dat omstanders van treinmachinisten en hulpverleners tot familie en vrienden hierdoor wordt aangedaan. De Stichting vindt dat wij onze ogen niet mogen sluiten voor deze groep. En hulp moeten bieden. Is dat nou zo barbaars?"
Mensen met een doodswens, of die wens nou ingegeven wordt door een lichamelijke of geestelijke achtergrond, zouden terecht moeten kunnen bij de regionale steunpunten. Maar hoe ziet de weg naar het einde er uit als het nu nog fictieve steunpunt wordt benaderd? Schellekens: "U moet zich het steunpunt niet voorstellen als een winkeltje of kantoortje waar mensen binnen kunnen lopen. Het gaat bijvoorbeeld om een telefoonnummer. Via dat nummer kunnen potentiële hulpvragers in contact komen met de medewerkers van het steunpunt. Hierbij wordt gedacht aan een arts, een psycholoog en een verpleegkundige of maatschappelijk werker. Er kan een intake-gesprek volgen met één van de niet-medische medewerkers. Hij of zij luistert naar het verhaal van de hulpvrager. Eventueel worden gesprekken aangegaan met de naasten van de hulpvrager. Daarna volgt een gesprek tussen de hulpvrager en de arts van het steunpunt. Deze moet onderzoeken of er nog ultieme mogelijkheden voor levenshulp zijn. Als de hulpvrager er geen problemen mee heeft, neemt de arts contact op met de huisarts. Zo kan onderzocht worden in hoeverre er sprake is van een mogelijk ernstige psychiatrische voorgeschiedenis. Als de medewerkers van het steunpunt ervan overtuigd zijn dat de hulpvrager als wilsbekwame volwassene weloverwogen afscheid van het leven wil nemen, kan verder gesproken worden over de uitvoering van de levensbeëindiging. Het steunpunt zorgt dan voor de vereiste medicijnen, de euthanatica."
In een ander scenario heeft de hulpvrager al ruim van te voren een Levenseindebesluit van de SVL ingevuld en zijn naasten daarvan op de hoogte gesteld. In het Levenseindebesluit kan worden aangegeven dat de ondertekenaar graag gebruik wil maken van het zelfbeschikkingsrecht en voorzien wil worden van middelen waarmee ik zelfstandig of met behulp van de door mij aangewezen gevolmachtigde op een waardige wijze mijn leven kan beëindigen. Meldt een hulpvrager zich met een dergelijk document bij het steunpunt, dan kan de procedure sneller doorlopen worden.
In ideale situaties is contact met familie en vrienden onderdeel van de begeleiding die het steunpunt aan de hulpvrager wil aanbieden, zegt Schellekens. Zodat de naasten nooit met nare vragen achterblijven als Waarom hebben we dit niet aan zien komen? of Wat hebben we fout gedaan?. Zij worden, als dat van beide kanten gewenst wordt, betrokken bij de aanstaande dood van de hulpvrager. Dat scheelt veel in de manier waarop de rouw wordt verwerkt.
Schellekens weet dat niet iedere naaste even makkelijk kan accepteren dat de ander dood wil. "Er bestaat veel weerstand, tegen de gedachte alleen al. Pasgeleden hoorde ik het verhaal over een jongeman van 30 jaar die hulp bij zelfdoding had gekregen. De man had al jaren psychiatrische problemen, leed daar ontzettend onder, had al tal van behandelingen gevolgd, allemaal zonder positief resultaat, en wilde gewoon al geruime tijd dood. Zijn broer en zus waren enorm geschokt door zijn dood. Zijn zus zei: Als ik van de plannen had geweten, dan had ik hem laten opsluiten. Dat hoor je omstanders wel vaker zeggen. Maar dan vraag ik me toch af wat liefde voor je naaste betekent. Is dat iemand zijn leven laten beëindigen, of iemand laten opsluiten? Het zegt volgens mij veel over het gebrek aan openheid dat er is rondom de dood. Er spreekt een onvermogen uit om over de dood te praten. Met de houding van die zus in het achterhoofd, kan ik me goed voorstellen dat de inmiddels overleden broer nooit met haar over zijn doodswens heeft willen spreken. Zijn zus zou hem waarschijnlijk alleen maar hebben willen weerhouden. Uiteindelijk drijf je daarmee iemand het isolement in. En roep je in feite de eigen verontwaardiging of verbazing over de gekozen dood van de ander over jezelf af."
Terug naar de ideeën over de steunpunten. Medicijnen mogen in Nederland door niemand anders worden voorgeschreven dan door artsen. De arts vervult dus ook in de theorievorming over het steunpunt een cruciale rol. Schellekens geeft aan dat dit een bij gebrek aan beteroptie is. "Deze constructie is bedacht vanuit de huidige wetgeving, waarin de arts een monopoliepositie op dit gebied heeft. De besluitvorming over de vraag of iemand de middelen toegewezen kan krijgen wordt echter in onze steunpuntplannen door een multidisciplinair collectief genomen. Het zou mooi zijn als in een wet geregeld werd dat datzelfde collectief de verantwoording voor de medicijnenverstrekking draagt, en niet alleen de arts."
Schellekens is zich ervan bewust dat de verstrekking van dodelijke middelen vanuit zo’n steunpunt in deze tijd ook een dodelijke uitwerking zal hebben op de carrière van de voorschrijvende arts. De arts doet simpelweg iets strafbaars. De kans dat we een arts bereid zouden vinden een recept onder SVL vlag uit te schrijven, is dus erg klein. Maar daarom moet de wet ook veranderen. Schellekens wijst erop dat ook in het geval van euthanasie de arts een strafbaar feit begaat. Tenzij hij aan een aantal voorwaarden voldoet. Zo zou dat ook rondom hulp bij zelfdoding geregeld kunnen worden.
Volgens officiële cijfers van het CBS (Centraal Bureau voor de Statistiek) plegen jaarlijks rond de 1500 Nederlanders zelfmoord. Voor zover bekend vragen jaarlijks ongeveer tienduizend mensen om euthanasie. Bij 3200 van hen wordt op het verzoek ingegaan. Deze cijfers geven ongeveer aan hoe groot de vijver is waaruit de SVL-steunpunten hun klanten kunnen vissen. Toch durft Schellekens geen enkele voorspelling te doen over de te verwachten hoeveelheid hulpvragen. "Het aantal zelfmoorden per jaar is voor mij geen hard cijfer", zegt Schellekens. "Een verkeersongeval kan ook een zelfmoord zijn. Het wordt echter als verkeersongeval geregistreerd. Het aantal euthanasiegevallen per jaar is helemaal onduidelijk, stelt Schellekens. We weten uit onderzoek dat lang niet alle artsen euthanasie melden. Maar de kans dat het aantal zelfdodingen per jaar zal stijgen als het gedachtegoed van de Stichting in de praktijk uitgevoerd mag worden, acht hij wel reëel. Maar is dat dan zo slecht? Door hulp te bieden bij zelfdoding kan veel leed worden voorkomen. Zonder die hulp, wordt er voor een gruwelijke manier van zelfmoord gekozen, of wordt er met tegenzin voortgeleefd. Alsof dat zo fijn is."
Binnenkort wordt er in de Tweede Kamer voor de zoveelste keer over de euthanasiewetgeving gesproken. Wanneer precies is nog niet bekend. De verwachting is dat dat niet meer voor het zomerreces gebeurt. Het kabinetsvoorstel (wetsvoorstel 26691) wil zowel euthanasie als hulp bij zelfdoding in één wet regelen. Schellekens vindt dit een principiële fout. "Het zijn twee verschillende zaken. En in die mening sta ik niet alleen. Al in de jaren tachtig heeft de Gezondheidsraad, een belangrijk adviesorgaan van het kabinet, voorgesteld aparte wetgevingen te maken voor hulp bij zelfdoding en euthanasie. Met dat advies is nooit wat gedaan."



